• Dunne bomen – Karel Goeyvaerts

    Het kamerkoor AQUARIUS heette van 1995 tot 2007 het GOEYVAERTS CONSORT. De groep koos deze ongewone naam om de naam van deze allerbelangrijkste Belgische componist in binnen- en buitenland te verspreiden.

    In 2008 veranderde het ensemble zijn

    artistieke koers en nam de naam AQUARIUS aan, naar het magnum opus van Karel Goeyvaerts, de opera Aquarius.

    AQUARIUS blijft zich inspireren op deze componist door met name zijn artistieke progressiviteit, zijn eruditie en zijn internationalisme als idealen over te nemen.

    In 2004, 11 jaar na zijn dood, maakte het GOEYVAERTS CONSORT de kameropera DUNNE BOMEN, van en naar Karel Goeyvaerts:

    “Vier zangeressen, een cellist en een danseres maken theater over leven en dood. Over leven dicht bij de dood. Over levend dood zijn. Doods leven. Overleven. Niettegenstaande angst, eenzaamheid, onmacht, schuld, schaamte, kilte, donkerte. (…)”

    In 2018, 25 jaar na zijn dood, vraagt AQUARIUS aan mij een nieuwe soloversie te maken, gebaseerd op de zangen van DUNNE BOMEN. Met dank neem ik deze uitdaging aan.

    Er is meer dan één reden waarom ik een theatrale versie wil maken van “Dunne bomen”:

    • Karel Goeyvaerts is de belangrijkste Belgische componist van de twintigste eeuw. Misschien is hij de belangrijkste componist die België ooit had. Nu hij 25 jaar dood is, wil ik hem met “Dunne bomen” weer een stukje onder ons brengen.

    • De vocale uitdaging is voor mij enorm. Je kan rustig stellen dat Goeyvaerts de zangkunst vernieuwd heeft. In “Dunne bomen” hoor je waar deze componist met de stem naar toe wil. Deze gezangen kan je rustig een voorstudie noemen van zijn opera AQUARIUS, waarin hij de moderne samenzang tot unieke schoonheid voert. Deze avantgardist pur sang was een bewonderaar van het vocale meesterschap van Richard Strauss. Het zal misschien tijd vragen vooraleer de pracht en het belang van Goeyvaerts’ nieuwe zangkunst breed zal doordringen.

    • Door “Dunne bomen” ben ik in het werk van Jan Arends (1925 –1974) gedoken. De poëzie van deze Hollandse dichter was voor Goeyvaerts het vertrekpunt voor zijn muziek. Niet meer dan vertrekpunt. In mijn versie van “Dunne bomen” is Arends veel meer aanwezig. Daardoor heb ik van mezelf een herkenbaar personnage gemaakt, een eenling, een vreemde, een eenzame. De “nieuwe” muziek van Goeyvaerts sluit bij mijn figuur wonderwel aan.

    • Deze voorstelling kan ik maken omdat ik kan samenwerken met Marc Michaël De Smet, bezieler van het kamerkoor AQUARIUS en kenner van het Goeyvaerts’ oeuvre. De Smet heeft veel Belgische creaties van zijn werk op zijn actief en was dirigent van de oerversie van de opera AQUARIUS, met dansers, 8 vocale solisten en kamerorkest. Tijdens zijn leven heeft hij de uitvoeringsmogelijkheden van “Dunne bomen” met de componist besproken. Zoals hierboven reeds vermeld, heeft Marc Michaël De Smet in 2004 ook een kameropera versie van “Dunne bomen” op de planken gebracht, voor één danseres, 4 sopranen en één instrumentalist.

    • In mijn solovoorstelling vertrek ik met een nieuwe lei. Wie komt kijken zal iemand bezig horen die op zoek is – om Jan Arends letterlijk te citeren – naar “een andere taal”. Karel Goeyvaerts en Jan Arends hebben die andere taal gezocht. En gevonden. Die taal is nu de drijvende kracht van mijn inspiratie.

    • Helemaal alleen sta ik niet op de planken. In een droomfragment komt danser Pol Paelinck voor mij een prachtige solo dansen. Nog eenzamer blijf ik achter.

     

  • La Flûte de Jade – Karel Goeyvaerts

     

     

     

     

     

    Dat Karel Goeyvaerts als jonge componist ambitieus was en nieuwe wegen opzocht, bewees hij door, na zijn onzalige tijd aan het Antwerpse Conservatorium en het conflict dat hij daar had met zijn directeur en tevens compositieleraar (“De Vocht was nu eenmaal een man met wie niet te spreken viel.” – Karel Goeyvaerts: een Zelfportret p. 18), naar Parijs te trekken en daar toegelaten te worden aan het Conservatoire Royal waar hij les kreeg van o.a. Olivier Messiaen (analyse) en Darius Milhaud (compositie).

     

    Beide docenten hadden weinig op met de Weense dodecafonie van Arnold Schönberg.

    Toch legde Goeyvaerts aan Darius Milhaud een dodecafonisch stuk voor: “Op zekere dag legde ik aan Milhaud een onderdeel voor van een reeks stukken voor sopraan en piano, gebundeld onder de titel “La Flûte de Jade”, op bekende Franse vertalingen van Chinese teksten. Dat onderdeel was zowat het enige dodekafonische stuk dat ik ooit geschreven heb. Ik zegde het dan ook aan Milhaud: “Maître, c’est dodécaphonique!”. Waarop hij antwoordde: “Oh, le vilain! …” Hij wilde het toch horen en toen ik het dan voor hem gespeeld en gezongen had zegde hij aan de omstaanders: “Vous voyez que le système employé n’a rien à voir. On peut faire de la musique, même en faisant appel à la dodécaphonie.”

     

    “La Flûte de Jade” zou een zekere carrière kennen: het werkje werd uitgevoerd tijdens het eerste concert dat door de UNESCO te Parijs werd georganiseerd in het vroegere UNESCO-huis aan de avenue Kléber.

    Roland Manuel introduceerde het. Laure Casamatta zong (Milhaud noemde ze Laure Maisonfolle) en ik speelde de pianopartij. Kort daarna presenteerde Jane Bathori “La Flûte …” in een reeks uitzendingen over “La mélodie française” die ze verzorgde voor de Franse Radio, zij die zelf ten tijde van Fauré, Debussy en les Six de grote uitvoerster van dit genre was geweest. Jane wilde ook weer zelf de uitvoerders kiezen en ze dacht eerst aan Leila Ben Sedira, met haar zeer heldere soepele stem. Toen deze niet vrij was, viel de keuze op Lily Jessua, met wie ik samen repeteerde in haar mooi appartement aan de avenue Mozart (In die tijd droeg ik steeds sandalen en een half opgerolde broek; Tony Aubin vroeg schamper: Vous venez de la pèche?).

    Tijdens hetzelfde programma van Jane Bathori traden ook Francis Poulenc en Pierre Bernac op. Het ging rechtstreeks in de ether, zoals dat meestal het geval was in die tijd.” – Karel Goeyvaerts: een Zelfportret, p. 30-31)

     

    Niet veel later zou Goeyvaerts het allereerste strikt seriële werk schrijven (de Sonate voor 2 piano’s), een historische mijlpaal in de westerse, klassieke muziek, en een radicale stijlbreuk in zijn oeuvre. Niet zijn laatste.

    Het oeuvre van de jonge Goeyvaerts kennen we niet of nauwelijks. Het bruist en borrelt hevig in dat hoofd en dat leidt tot avontuurlijke werken voor zeer uiteenlopende bezettingSamennmetjeen pianist  Fux wil ik “La Flûte de Jade” in België herlanceren. De korte, exotische teksten intrigeren:

     

     

     

    Le Pavillon de la Musique

     

    Les musiciennes sont parties.

    Les pivoines qu’elles avaient mises

    Dans les vases de Jade

    S’inclinent vers les luths

    Et semblent écouter encore.

     

    Le Pavillon des Parfums

     

    Si j’ouvrais ce flacon dans lequel

    repose un parfum illustre,

    Son violent arôme t’incommoderait.

     

    Quand je te caresse, ô ma buire d’ambre,

    n’exhale pas tes pensées d’amour!

     

    Le Pavillon de la Poésie

     

    Dans sa fenêtre,

    une branche de pêcher fleurie.

     

     

    De cyclus bevat negen zulke poëtische, etherische evocaties.

    De muziek doet – ondanks de techniek – in niets denken aan de zware, expressionistische school van Arnold Schönberg.

     

  • Des Knaben Wunderhorn - Gustav Mahler

     

     

     

     

     

    Oude Duitse Liederen

    Gecomponeerd door Gustav Mahler

    De eerste helft van de 19de eeuw noemen wij in de klassieke muziek het hoogtepunt van de romantiek. De tijden zijn dan veranderd. De Franse verlichtingsfilosofen hadden politiek Europa in rep en roer gezet en radicale strategen hadden bloedige revoluties ontketend. De citoyen, de burger moest van het juk van adel en kerk bevrijd worden.

    De overwinningsroes was van korte duur. “Égalité, fraternité et liberté” moest het afleggen tegen machthebbers die hun positie niet prijs gaven en met geweld de oproerkraaiers de mond snoerden. De bange burger trok zich terug in nationalisme. Zijn blik richtte zich niet vooruit – waar weinig perspectief was – maar naar een geïdealiseerd, eigen verleden. De folklore ontstond. De volkscultuur werd bestudeerd. Volksliederen en teksten werden vergaard en verspreid.

    In Vlaanderen speurden Florimond van Duyse en Jan Frans Willems het land af. In Denemarken verzamelde Hans Christian Andersen oude sprookjes, net als in Duitsland de gebroeders Grimm. Twee bekende Duitse dichters, Clemens von Brentano en Achim von Arnim werkten jaren aan de beroemdste collectie van oude Duitse liederen, “Des Knaben Wunderhorn”. De Duitse componisten rond Robert Schumann (1810 – 1856) plozen die collectie uit en zetten sagen, ballades, romancen, drinkliederen en historische verhalen op muziek. Deze anonieme teksten waren het werk van het gewone volk maar inspireerden de Duitse dichters. Heine en Mörike imiteerden de volkse toon.

    Op het einde van de 19de eeuw componeerde Gustav Mahler (1860 – 1911) waarschijnlijk de beroemste liedcyclus die exclusief put uit die collectie en ook haar naam draagt.

    De volledige pianoversie omvat 15 liederen en is avondvullend. Gustav Mahler kiest voor lange vertellingen die hij muzikaal breed uittekent. De vertellingen zijn oud en vol intrige, de muziek is adembenemend mooi.

    Begedoor leidpianisteaiano neem ik u mee op een betoverende tocht van muzikale verhalen waar men ademloos naar luistert. Hoe groter de kunst, hoe stiller men wordt.

    Voor mij is Mahler’s “Des Knaben Wunderhorn” zingen de heerlijkste uitdaging die ik ooit op mij nam.

  • I'm nobody - Emily Dickinson / Marc M. De Smet

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Zo solitair de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830 – 1886) haar leven sleet, zo moederziel alleen sta ik op de scene om 25 van haar gedichten te zingen die Marc Michaël De Smet op muziek heeft gezet. 25 van de meer dan 1200 die ze naliet en waarvan er slechts een handvol bij leven – en dan nog verminkt – werden gedrukt.

    Een vrouw die gedichten schreef was in de 19de eeuwse mannenwereld een rariteit.

     

    Emily Dickinson was ook een rare. Ze had zulke bijzondere gaven dat de originaliteit en de diepgang van haar poëzie in haar tijd niet begrepen konden worden. Door dat onbegrip en het gebrek aan erkenning ging ze een alsmaar eenzamer leven leiden. Vandaag de dag wordt ze erkend als de grootste Amerikaanse dichteres. Bij leven worstelde ze met haar vrouw-zijn en haar peilloos-diepe innerlijke leven.

     

    De tragiek van deze uitzonderlijke vrouw wil ik al zingend beleven. Ik zing heel alleen, zo alleen als deze vrouw was. Ik zing teksten waarvan de componist vindt dat ze geen begeleiding, geen opsmuk verdragen. Ik zing teksten die je niet één keer maar ettelijke keren moet horen, zo diep, zo rijk, zo wijs, zo eigenzinnig zijn ze. Ze verrijken mijn leven.

    Hulde aan onze Vlaamse dichter Ivo van Strijtem die ze prachtig vertaald heeft. (De mooiste van Dickinson – lannoo/atlas)

     

    Natuurlijk schreef Emily Dickinson ook hopen brieven, prachtige brieven, waarvan ik in mijn voorstelling fragmenten opneem in een poging haar een beetje te portretteren.

     

    Ik weet dat ik het mij en mijn publiek in “I’m nobody” niet makkelijk maak.

    Ik heb een sobere en strenge vorm gekozen omdat Emily Dickinson anders geen recht gedaan wordt. Enkel door alleen te staan zingen, kan ik het alleen-zijn van deze kunstenares proberen voelen en laten voelen.

     

    Met een componist als coach en vriend was ik bij het maken toch al met twee.

     

  • Een leven in liederen en brieven - Norbert Rosseau

  • Voorslaap - Herman de Coninck / Marc Michaël De Smet